‘Uitgebloeid’

by

We fietsten door een zonovergoten grasveld in het Amsterdamse bos. De waterijsjes die we zojuist hadden gekocht, smolten langzaamaan van hun stokjes op onze handen. Eerder die dag was ik nog vloekend wakker geworden met een onnodig grote kater. Zo’n eentje die ik niet alleen fysiek, maar ook emotioneel voelde. Het liefst wilde ik de dag gewoon overslaan, en mezelf verstoppen onder de dekens die ik vanwege de tropische temperaturen al van me af had geschopt. Maar gelukkig had ik al plannen gemaakt, waardoor ik in de loop van de middag wel uit mijn bed MOEST komen. En dat bleek positief uit te pakken. Bij elke duw die ik mijn trappers gaf, herstelde ik steeds een beetje meer. De ijsjes waren een welkome verkoeling op een dag waarop het eigenlijk veels te warm was om zo brak te zijn.

Ik dacht ondertussen terug aan de reden waarom ik me ook alweer zo voelde, en vroeg me hardop af: “Weet je nog hoe het vroeger was om verliefd te worden?” Vragend keek ik door mijn zonnebril opzij naar de vrouw die mij en mijn kater die middag had opgevangen.“Hoe bedoel je?” zei mijn vriendin, terwijl ze tevreden haar fruitijsje likte.

“Ik heb het over die onschuldige, extreem heftige verliefdheid. Waarbij je die vlinders gewoon in je buik vóélt vliegen.” Ondertussen balanceerde ik het ijsje in mijn ene, en mijn telefoon met daarop de fietsroute in mijn andere hand. Er ontstond een glimlach op het gezicht van mijn vriendin. “Ohja! Ik weet wel wat je bedoelt. Dat gevoel dat je krijgt als je voor het eerst echt heel erg verliefd bent op iemand. Als je nog jong en naïef bent.”

“Precies!” reageerde ik iets te enthousiast, waardoor ik bijna van mijn fiets viel. Toen ik mijn stuur weer onder controle had, zei ik: “Wat heb ik er zin in om dat heerlijke gevoel weer eens te hebben.”Toen ik dat zei, zag ik de lach op haar gezicht plaatsmaken voor een frons. “Soms ben ik bang dat ik die verliefdheid nooit meer zo zal voelen,” zei ze toen een beetje teneergeslagen. “Omdat ik nu weet hoeveel pijn het kan doen.”

Toen ik dit hoorde, beet ik mijn lippen op elkaar en begon ook ik te fronsen. De situatie was vrij belachelijk. Twee jonge vrouwen –nog niet eens echt volwassen– die zich op zo’n prachtige dag zorgen maakten over de vraag of ze ooit weer vlinders zouden voelen. Ik was erover begonnen, omdat ik de avond daarvoor de jongen had gezien bij wie ik die verliefdheid voor het eerst sinds jaren wel weer eventjes had gevoeld. Maar dat gevoel was onbeantwoord gebleven. En de herinnering daaraan deed inderdaad pijn. Dus had ik het die nacht welwillend op een drinken gezet. Zie het gedeelte over de gigantische kater.

We fietsten verder in de richting van onze eindbestemming: het kersenbloesempark. Dat is het park met de bomen die je gedurende die paar weken in april werkelijk overal op je tijdlijn voorbij ziet komen, waardoor je niet anders kan dan last krijgen van fomo. Dus waren we die middag onderweg naar het park, om de bloesem eens met eigen ogen te bekijken.

Ondertussen dacht ik na over de woorden van mijn vriendin. Is dit wat het betekent om volwassen te worden? Is het zo dat we, hoe ouder we worden, onszelf steeds beter weten te beschermen tegen de pijn en het verdriet en dus die heftige verliefdheid die iemand bij je kan veroorzaken? Vroeger kon ik iemand die ik leuk vond niet meer uit mijn hoofd zetten. Nu doe ik er werkelijk alles aan om dat te voorkomen.

Soms zou ik willen dat ik zo’n onverschillige levensgenieter was. Eentje die zich niet laat raken door zoiets als een afwijzing, maarjuist kan denken: jammer voor jou! Maar onverschillig, dat ben ik verre van. Dus lig ik geregeld –zoals die ochtend– als een in elkaar gezakt hoopje ellende in mijn bed, om mezelf er uiteindelijk toch uit te slepen en dat klote eind naar die godvergeten Japanse bloesems te fietsen.  

Toch weigerde ik op die zonnige middag de bitterheid de overhand te laten nemen. We zijn per slot van rekening pas net de leeftijd gepasseerd waarop we wettelijk onafhankelijk zijn. Laten we godverdomme een beetje van het leven genieten! Niet ondanks, maar wegens al die heftige emoties die daarbij horen! Terwijl we het einde van onze fietstocht naderden, zei ik daarom: “Ik denk het wel hoor,” in mijn poging de vrouw –en mezelf– weer een beetje moed te geven. “Er zal een moment komen dat je die vlinders weer zal voelen. En dan weet je dat het goed zit.”

Mijn motiverende woorden werden tegemoet gekomen door het park. We stopten onze fietsten, en bleven verbijsterd voor de bomen stilstaan. “Dit is het niet, toch?” zei mijn vriendin. Voor ons stonden rijen met bomen, maar van bloesem was weinig te bekennen. Ondertussen begon tot ons door te dringen wat er aan de hand was. “O nee, Melis! We hebben het gemist!” Enigszins ongemakkelijk keek ik naar de bomen. Ik had haar eerder die week nog gesmeekt om met me mee te gaan. “Ik wist niet dat het al zo snel voorbij zou zijn…” zei ik verontschuldigend. Om ons heen kwamen meer mensen teleurgesteld aan bij het park. “Nee! Is het alweer uitgebloeid?” zei een mevrouw naast ons, terwijl mijn vriendin en ik haar vraag met verontruste blikken beantwoorden. “Dat meen je niet. Ik mis het werkelijk ELK jaar!”

Terwijl ze dit zei, barsten we allemaal in lachen uit. “Dat hele kuteind voor niets gefietst,” zei ik door mijn tranen heen. “Het komt wel weer terug,” zei mijn vriendin tegen me, terwijl we onszelf nog steeds aan het uitlachen waren. “Het gaat wel weer bloeien. En dan zijn we erbij.”

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *