‘Shame on me!’

by

‘Hoeveel mensen van het ziekenhuis waren er dan bij jou in de kamer toen je beviel?’ vervolgt mijn zwangere vriendin F. ons gesprek nadat we een tafeltje hebben uitgekozen.
‘Pff, weet ik veel… drie of vier inclusief de verloskundige misschien? Ze kwamen en gingen geloof ik. Ik kan me daar niet zoveel meer van herinneren moet ik toegeven.’
‘Zoveel? Ik kan me dat toch niet voorstellen. Dat er zoveel vreemde mensen in de kamer rondlopen terwijl ik daar in mijn blote je-weet-wel lig.’
‘O, schei uit! Maak je je daar echt druk om? Geloof me, dat is wel het laatste waar je op dat moment mee bezig bent. En bovendien,’ vervolg ik mijn verhaal, ‘juist vóór de bevalling moet je zorgen dat iedereen je ladyparts nog even goed bekijkt, want na de bevalling verandert je vajayjay toch echt even in een “vanaynay”, if you know what I mean…’
Grinnikend neem ik een slok van mijn cappuccino met een blik die verraadt dat ik mijn eigen woordgrap weer eens veel grappiger vind dan deze in werkelijkheid is. F. bevestigt dit nog even door mij een afkeurende blik toe te werpen om vervolgens om zich heen te kijken of niemand anders het gehoord heeft.
‘Oké, flauw,’ zeg ik, ‘maar even serieus, dat zijn echt geen dingen waar je je op dat moment druk over maakt.’ In gedachte keer ik even terug naar de momenten die ik me nog van mijn bevalling kan herinneren vanaf het moment dat we onverwachts tóch naar het ziekenhuis bleken te moeten tot het moment dat mijn prachtige kereltje geboren werd. Wat ik me dan vooral nog kan herinneren is dat ik op een gegeven moment begon te kreunen en mij toen gevraagd werd of de persweeën soms begonnen waren, waarop ik heel hard schreeuwde dat dat niet het geval was, maar dat ik wel ontzettend nodig moest poepen.
Eén van de artsen begon te lachen en zei dat dat de persweeën waren, waarop ik wederom ontkende en riep: ‘IK MEEN HET HOOR, IK MOET ECHT NÚ POEPEN! IK DOE HET!’

Yup. Want je kan je nog zo goed op die bevalling hebben voorbereid – cursussen, bevallingsboeken, enzovoort – om de één of andere reden denkt geen enkele vrouw eraan je even te vertellen dat het eruit persen van een kind gewoon voelt alsof na vijf dagen verstopping al je eten er als  één grote, onverteerde burrito uitkomt. Dus bij dezen, dames: It’s like taking the most painful, yet beautiful crap of your life.

‘Ja, dat geloof ik ook wel, en tóch lijkt het me een ongemakkelijk idee’, zegt F. terwijl ze haar hele hand om haar theeglas klemt en deze vervolgens tegen haar wang aan drukt. (Waarom blijf ik me er toch altijd zo aan ergeren als ik vrouwen dat zie doen?)
‘Lieffie, als je je daar op dat moment echt voor zou schamen dan is dat ook niet erg. Wen er maar aan! Het is slechts het begin van een oneindige reeks aan schaamtevolle momenten die je als moeder gaat meemaken straks’.
‘Ja, I know. Zoals de driftbuien in de supermarkt, bedoel je?’
‘Onder andere. Maar zoiets hoeft maar één keer mis te gaan. Je houdt als moeder een soort regelboekje bij in je hoofd om de schaamtevolle momenten zoveel mogelijk te voorkomen in de toekomst. De meeste regels gelden voor alle moeders trouwens. Zoals in het geval van die driftbuien in de supermarkt: elke ouder leert door ervaring al gauw genoeg dat hij zijn kind nooit mee de winkel in moet nemen als deze honger heeft. Of naar bed moet. Of juist net uit bed komt. Of tandjes krijgt. Of suiker op heeft. Of middenin een sprongetje of de peuterpuberteit zit. (Lees: de periodes waar elke ingelezen moeder voor vreest en waarbij je kind van een lief, bijzonder menswezentje in een monstertje verandert. Een monstertje met buien die je nog het best kan vergelijken met… even denken… Oké, stel je voor dat je ongesteld bent, de hele dag nog niet fatsoenlijk tijd hebt gehad om te eten. Je hebt fucking veel zin in pizza maar je vriend besluit dan op het laatste moment toch iets gezonds te willen koken. En precies op het moment dat jij je dan onder een deken wilt verstoppen, om daar pas onder vandaan te komen als het eten klaar is, vraagt hij of je niet een handje kan helpen. Vervolgens laat hij jou al het irritante snijwerk doen terwijl hij dan zelf alleen nog maar de rijst hoeft te koken, waar hij dan vervolgens wel héél lang over doet.  En wanneer je je dan eindelijk niet meer in kan houden en een klein beetje moppert over je enorme honger, hij tegen je zegt: ‘Ho ho, geen honger maar trek zal je bedoelen. In Afrika heb–’ Nope, ik kan het niet. Ik kan deze zin niet eens aftypen zonder dat mijn vingers beginnen te trillen van woede.)

‘Als ik heel eerlijk ben,’ vervolg ik mijn verhaal, ‘kan je pas weer met je kinderen naar de winkel wanneer ze boven de zestien zijn. Tot die tijd: lang leve webshops. Da’s regel 1: vermijd winkels. En zo heb ik er nog veel meer hoor…’
Al kauwend op mijn veel te kleine koekje probeer ik mijn eigen schaamtevolle moedermomenten krampachtig te blokkeren; tevergeefs. Al gauw zie ik mijn toenmalige partner voor me die onder me ligt omdat we, voor het éérst sinds de geboorte van onze zoon, eindelijk weer beiden tijd en energie lijken te hebben om eens flink van bil te gaan. Gretig kijkt hij naar mijn borsten (die in een paar maanden tijd van een schampere B-cup naar maatje watermeloen zijn gegroeid). ‘Yes, deze zijn nu even helemaal van mij’, zegt hij met een stem waarin enige jaloezie jegens zijn zoontje doorklinkt. Met één hand knijpt hij stevig in mijn rechterborst en net op het moment dat ik mij naar voren wil buigen om hem te zoenen, zie ik een straal melk récht in zijn oog spuiten. Het is overbodig te zeggen dat het romantische moment daarmee wel gedaan was. Terwijl mijn vriend in zijn, inmiddels geïrriteerde, oog blijft wrijven en duidelijk nog ontdaan is van de plotselinge plotwending, word ik overvallen door een enorm gevoel van schaamte. Een waarbij je niet weet of je in huilen of lachen wil uitbarsten.
Regel 2: laat je partner nooit aan je borsten zitten als je je kind nog geen avondvoeding hebt gegeven.

‘Waarom lach je?’ Met een nieuwsgierige blik kijkt F. me aan.
‘Nah, niets… mijn regel 2’, antwoord ik. ‘O, maar het thema ‘lachen’ brengt me wel metéén bij de derde regel: Zorg in het eerste jaar nadat je bent bevallen dat je altijd op minder dan drie meter een wc op afstand hebt voor het geval je om iets in de lach schiet. O, en vermijd te allen tijde trampolines, hoesten en niezen!’

‘Zoals ik al zei: je leert vanzelf. Zorg in de tussentijd dat je altijd een extra broek bij je hebt.’
Ik bespeur – naast die mooie zwangerschapsgloed die zich tijdens mijn eigen zwangerschap alleen maar uitte in de vorm van een vettige huid en een zieke acne-uitbraak – enige angst in mijn vriendin’s gezicht.
‘Haha, maak je niet druk. Het is een enorm cliché, I know, maar toch: uiteindelijk is het het allemaal zo ontzettend waard lieverd’, besluit ik ons gesprek. En gelukkig is daar geen woord van gelogen.

Nog geen paar dagen later is mijn zoon samen met een vriendje uit zijn klas aan het knutselen terwijl ik boven de was ophang. ‘Mamaaaa, we willen een boot maken. Mag ik daar een bakje voor uit de kast pakken?’
‘Nee Sem, maar je kan wel even een kartonnen doos bij het oud papier uit de schuur halen’, roep ik terug.
Vijf minuten later kom ik beneden en vang ik de blik van twee trotse jongetjes die mij nietsvermoedend aankijken en vragen wat ik van hun ‘stoomboot in wording’ vind.
Terwijl ik met een knalrode kop en wat gestamel de verpakking snel vervang voor een lege eierdoos, stel ik mijn nieuwste regel op. Regel 137: Denk er niet alleen aan het volwassen speelgoed zelf goed te verstoppen, maar uiteraard ook de daarbij behorende verpakkingen.

Ah, wat zei ik? Je leert vanzelf..

 

No tags 0 Comments 1

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *