Rotterdam: “Dag buurmens!”

by

Deel 1. Een drieluik als ode aan de steden waar ik heb gewoond. 

Precies een jaar geleden verhuisde ik van Utrecht naar Rotterdam. Ik wilde helemaal niet weg en al helemaal niet naar Rotterdam. Ik vond Rotterdam namelijk altijd al een verschrikkelijke stad. Ik was een trouwe Utrechter en alles waardoor ik van Utrecht hield, dat miste Rotterdam. Een warm centrum, het water, de kneuterige grachtenpandjes, allemaal ver te zoeken. En laten we wel wezen, als ik een van de meest iconische torens moet elimineren, de Domtoren of de Euromast, dan hoef ik niet lang te piekeren. Maargoed, een nieuwe kamer in Utrecht kon ik zo gauw niet vinden, terug bij mijn ouders wonen was mijn grootste nachtmerrie en tenslotte kreeg ik ook nog een stage in Rotterdam aangeboden. Dus het begon erop te lijken dat er geen ontkomen aan was, ik moest een Rotterdammert worden. Na drie dagen inpakken kwam mijn vader voorrijden met een verhuiswagen. Terwijl mijn broer en mijn goede vriend – tevens onderbuurman – Joep door hun rug gingen om mijn bank de wagen in te laden, stond ik te huilen omdat ik bang was dat mijn planten de rit niet zouden overleven. Overduidelijk natuurlijk dat mijn tranen eigenlijk een andere oorzaak hadden, maar mijn emoties projecteren op iets anders, daar heb ik wel talent voor.

Nog voor ik er erg in had, reden we de snelweg op. “Ik mis je nu al.” appte Joep. Mijn broer mompelde vanaf de achterbank iets over het grote aantal verkrachtingen en intimidatie in Rotterdam. Ik had er echt zin in. We komen aan in Rotterdam, mijn nieuwe kamer bevindt zich in een drukke winkelstraat. De scooters vliegen je om de oren en overal hoor je geschreeuw en muziek. Bij de Gall & Gall onder mijn huis staan een stel kerels te kwijlen terwijl ik mijn inboedel vanuit de achterbak het huis in til. “Zó hé, jij kunt flink sjouwen, of niet schat?”. Wanneer ik de verhuisdoos op de grond zet en me buk om mijn sleutels te pakken, kijk ik even achterom. Ze proberen niet eens te doen alsof ze niet naar mijn billen kijken. Even later worstel ik me naar de auto om het kledingrek wat niet in mijn kamer past in de achterbak te proppen. Hoe ik het ding ook wend of keer, het wil niet passen. Ik heb ook geen inbussleutel om hem uit elkaar te schroeven, dus ik blijf eindeloos aan dat ding sjorren. Met iedere seconde raak ik gefrustreerder. Aan de overkant zie ik twee mannen op een terras naar me grijnzen. “Ja, lach maar.” denk ik. Terwijl ik het rek nog een keer omdraai, komt een van de mannen van het terras naar me toe gelopen. “Wat loop je nou allemaal te kloten, schat?” vraagt hij. Geschrokken door z’n directheid stamel ik dat ik geen inbussleutel heb. “Jezus man, dan zeg je dat toch joh. Hij komt niet uit zichzelf aangevlogen hoor.” Hij loopt weg en verward blijf ik achter, tot hij met een inbussleutel aan komt lopen. Hij schroeft het ding voor me uit elkaar, geeft me een knipoog, een aai over mijn hoofd en zegt: “Voortaan meteen vragen, lieverd.”

Een week geleden, een jaar later dus, loop ik door Utrecht. Het voelt veilig, de grachten maken me rustig. Ik vraag me af of ik terug moet gaan, Rotterdam achter me moet laten en weer terug moet kruipen in mijn veilige stadsoase. Later die dag stap ik uit de trein op Rotterdam Centraal. Ik hoor gitaarspel onder de brug. De Gall & Gall-man roept: “Dag buurmens!”. Ik maak een praatje met de groenteman en vertel een passerende dame dat ik haar schoenen prachtig vind. Rotterdam is rauw, in eerste instantie vond ik dat maar niks. Maar nu zie ik dat Rotterdam bezig is met in leven zijn, in plaats van met oppoetsen om de glans te bewaren. Rotterdam leert mij eerlijk te zijn. Het leert mij dat je nieuwe familie kunt vinden op iedere straathoek. De segregatie in de stadsopbouw, wordt gecompenseerd door saamhorigheid. Laatst zat ik op mijn kamer en voelde ik me een eenzaam stuk ellende. Ik belde m’n moeder en ze zei: “Ga even een stukje wandelen, dat helpt vast.” Nog even verdrietig stap ik de deur uit. Ik word gelijk gegroet door al mijn buurtgenoten. Langs het water voert een man stukjes brood aan de meeuwen. Ik moet weer huilen, dit keer van ontroering. Hij stopt een stukje brood in mijn hand en zegt: “Gooi maar, vinden ze lekker.” En ik besluit dat ik wil blijven.

 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *