Homo universalis: “Net mensen, dacht ik, droog en ruw van buiten, van binnen zacht en kwetsbaar”

by

Ik zit in de trein en kijk uit het raam. Het landschap raast aan me voorbij, de bovenleiding lijkt te dansen. Naast me belt een meisje: “Nee, het is niet dat ik nog gevoelens voor hem heb, maar ik hou gewoon wel van hem, toch?” Ik glimlach. Ik open mijn Spotify en klik op shuffle. Mijn boek ligt open op mijn schoot, ik scroll gedachteloos door Instagram. De kans dat ik me straks nog iets herinner van dit gescroll is nihil. En dat weet ik.

Tegenover mij zit een klein meisje, ze zit met oortjes in naar een filmpje te kijken. Ze zit in een andere wereld. Ik denk nostalgisch terug aan de eerste herinnering die ik heb aan treinreizen. Mijn moeder zette me in de trein in Maarn en ik mocht zelf in Utrecht uitstappen. Daar stond mijn grote zus op me te wachten. Ik zat in zo’n tussenstuk tussen twee coupés in. Ik waande me in een andere wereld, het was als Narnia. De deuren van de trein waren voor mij als de kast waarin Lucy stapte. Niemand zou mij op dit plekje vinden. Alleen de conducteur dan, die vertederd een dennenboompje in mijn kaartje knipte. Dat kaartje heb ik nog steeds, ik vond het magisch, het voelde alsof ik de enige op de wereld was met een dennenboompje in mijn treinkaartje.

Soms voelde ik me alleen thuis. Dan hadden mijn ouders het over grote mensen dingen als aandelen, of een klootzak op werk en verdween ik in mijn eigen bubbel. Dan oefende ik urenlang de handstand op de keukenvloer. Niet voorover klappen, niet terugvallen. Precies in het midden vond ik mijn nulpunt. Wat een balans, Homo Universalis is er niks bij. Op z’n kop keek ik naar een rekje sinaasappels. ‘Net mensen,’ dacht ik, ‘droog en ruw van buiten, van binnen zacht en kwetsbaar. Misschien denkt die sinaasappel wel precies op dit moment hetzelfde. “Goh, dat mens, eigenlijk net een sinaasappel, van buiten droog en ruw, maar sappig en kwetsbaar van binnen.”’ Ik ging op mijn rug liggen en staarde naar het plafond. Ik droomde dat dat de vloer zou zijn. Dan was de afzuigkap de keukentafel. En dan was de trap naar boven een trap naar beneden.

Nu leef ik in mijn eigen huis, mijn ouders drijven me niet meer tot zo’n verveling dat ik op de vloer ga liggen. Als ik me dan toch eens verveel zet ik een serie aan of bel ik een vriend. Ik denk aan mijn Narnia en ga toch nog eens op de vloer liggen. Ik kijk naar de kerstlampjes die we aan het plafond gespijkerd hebben. Ik stel me voor wat deze zouden kunnen zijn. ‘Kerstlampjes op de vloer.’ Denk ik. Ik kijk naar een stel draadjes die uit het plafond komen zetten. ‘Kut,’ denk ik, ‘weer vergeten de huisbaas te mailen dat we een brandmelder nodig hebben.’ De magie is er wel een beetje van af. Dat denk ik de laatste tijd vaker. Vroeger liep er altijd een oude vrouw met lang, grijs, warrig haar door de stad. Ik vond haar altijd een mythisch figuur. Ze zou vast kunnen toveren. Nu zie ik een soortgelijke vrouw en zoek ik in mijn zak alvast naar kleingeld.

Ik sta op mijn werk en er komt een man naast me staan. Hij vraagt of hij even binnen mag kijken. ‘Ik ben hier al dertig jaar niet geweest.’ Zegt hij. ‘Natuurlijk.’ Antwoord ik. Hij kijkt me even aan. ‘Ik ben al twee weken niet buiten geweest,’ zegt hij. ‘Ik heb geen motivatie meer, mijn vrouw is dood. Er zijn zoveel mensen, maar doordat het er zoveel zijn….’ ‘Zie je de mens niet meer?’ vul ik aan. De man krijgt tranen in zijn ogen. ‘Ik wist dat ik vanavond naar buiten moest gaan; ik voelde dat ik een bijzonder mens zou ontmoeten.’ Een eindje verderop loopt een dronken man met een zakelijk koffertje en een stel ballonnen. Hij heeft een portret van Jezus en een singeltje van Aretha Franklin in zijn koffer zitten. Ik ken hem wel, ik heb er ooit met hem over gesproken. Hij waant zich de rijkste man op aarde. Ik kijk naar de man naast me; hij moet huilen. Ik omhels hem, ik zie een mens. Zoals de bovenleiding van de trein, dansen de mensen binnen. De muziek dreunt door, zoals de trein voortraast. Ik heb geen boek, geen oortjes, geen Instagram. Geen kip zit verdiept in een filmpje, afgesloten van de wereld. Hier op de Nieuwe Binnenweg vinden we ons gezamenlijke nulpunt. Homo Universalis, dat ben jij, ik, de man met de koffer, iedereen.

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *