Haar: “I don’t really care about all that,” zei hij, zijn schouders ophalend

by

Het was een klamme, vochtige zomeravond. Ik zat met mijn lievelings New Yorker op de smalle vensterbank van zijn slaapkamerraam in Bedford-Stuyvesant, Brooklyn.  Onze oogleden waren zwaar, onze monden ietwat droog, onze zongebruinde benen in elkaar verstrengeld.

De man streelde met zijn handen over mijn benen. “They’re so smooth,” zei hij, enigszins verwonderd. Ik glimlachte voorzichtig, omdat ik niet zeker wist of hij het als compliment bedoelde. Maar toen ontwaarde ik een lichte frons op zijn gezicht. Hij keek even vertwijfeld naar zijn handen op mijn benen, en vervolgde toen: “I don’t really care about all that,” waarop hij aan een redelijk onsamenhangende redevoering begon. Het kwam erop neer dat hij vrouwelijk lichaamshaar eigenlijk best wel mooi vond.

Zat ik dan, met mijn gladgeschoren benen.

Ik was op dat moment te stoned om woke te zijn, en ging daarom niet echt mee in zijn positieve betoog over beenhaar. Een betoog dat, toegegeven, best feministisch was. Toch maakte de man iets bij me los. Een zeker ongemak dat ik die hele zomer (en, toegegeven, eigenlijk al veel langer) heb gevoeld: het idee dat mijn lichaam pas mooi is nadat ik het heb ontdaan van al het haar dat er van nature op zit.

De man was overigens niet de eerste New Yorker die vrouwelijk lichaamshaar leek te omarmen. Zo had ik die houding ook bij een vriendin gezien, nadat we op een snikhete dag een stel steile trappen naar haar appartement in Bushwick op waren geklommen.  “Wil je een glas water met ijs?” had ze gevraagd, toen we hijgend en zwetend boven waren aangekomen. En terwijl ik mijn blik op haar vestigde, zag ik het. Een rossige bos haren, onder de armen die op de openstaande deur van de vriezer steunden.

Wellicht val ik nu met mijn neus in de feministische clichés als ik toegeef dat ik best wel onder de indruk was. Van haar haar, bedoel ik. Het kwam op mij over alsof de vrouw zich niet verontschuldigde voor haar lichaam, maar het juist omarmde. Bovendien leken er in New York talloze vrouwen met een zelfde soort onverstoorbare nonchalance rond te lopen. Vrolijk hun armen omhoog zwaaiend, met de wind door hun harige oksels.

Mede dankzij het betoog van de man in de vensterbank, de zomer in die stad en de haat-liefde-verhouding die ik sindsdien met mijn eigen lichaamshaar heb, stond ik vorige week vertwijfeld onder de douche, starend naar het roze scheermesje in mijn hand. De weken daarvoor had ik met enige trots gekeken naar het haar dat onder mijn oksels was gaan groeien. Haar dat ik bij wijze van experiment eens had laten staan. Maar er zou die avond een man langskomen. Dus probeerde ik onder de warme waterstralen te besluiten hoe feministisch ik bereid was te zijn. Wat ging ik met mijn okselhaar doen? En met mijn beenhaar? En, misschien nog wel belangrijker: als ik het allemaal weg zou halen, deed ik dat dan voor mezelf, of voor de man met wie ik die avond zou gaan Netflix-en-chillen?

Wat ik uiteindelijk wel of niet met dat scheermesje heb gedaan, houd ik voor nu nog even voor mijzelf. Dit is namelijk geen pleidooi voor haar, evenmin tegen het scheren ervan. Ik wil de laatste vrouw zijn die tegen andere vrouwen zegt wat ze wel of niet met hun lichamen moeten doen. Misschien is dit voor nu dus alleen een vraag. Waarom leren we ons van jongs af aan te schamen voor de haren op onze lippen en benen, tussen onze wenkbrauwen en onder onze armen?

Ik ben benieuwd of ik volgende zomer misschien ook wat vrolijke Amsterdamse vrouwen met haren onder hun oksels en op hun benen zal zien. Zullen zij op een snikhete dag net zo zelfverzekerd naar mij zwaaien als de vrouwen die ik afgelopen zomer in New York zag? En zal ik er een van zijn?

Image by @sallustration

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *