‘Friends: SE04, EP01, 21:25’

by

Dit is niet geschreven door een beste vriend, we zijn ook niet verliefd, dit is niet iemand die ik dagelijks spreek, niet iemand die ik als één van de eerste opbel als ik mijn hart moet luchten. Dit bericht kwam van een vriend die ik al jaren ken en dit voor mij wilde schrijven, omdat hij dit aan mij wilde vertellen, omdat hij mij die moeite waard vindt. We gaan naar maandagavond.

22.23, 8 oktober 2018.

Na een uur praten, huilen en schreeuwen hadden we net opgehangen. Ik zat op de rand van mijn bed en samen met mij de tranen die al geruime tijd over over mijn wangen liepen. Het stopte niet. Ik moest tot rust komen en liep naar mijn balkondeuren om deze te openen en de koude frisse lucht langs mijn gezicht te voelen. Ik snakte naar adem, probeerde tot rust te komen door kalm in en uit te ademen. Mijn ogen voelden gezwollen, mijn lichaam vermoeid. Het scheelde dat ik die dag geen mascara op had gedaan, waardoor ik zonder zwarte strepen mijn tranen weg kon vegen. Alhoewel dat me weinig kon verrotten op dat moment.
Oppervlakkig vond hij het, één van mijn beste vrienden, die had dat zojuist zo gezegd. Oppervlakkig hoe wij, onze vriendengroep, met elkaar om waren gegaan de afgelopen maanden. Die conclusie had hij getrokken zonder het bespreekbaar te maken, zonder dat er een gesprek was geweest, zonder dat iemand de kans had om te zeggen wat er werd gevoeld, zonder daar iets aan te kunnen veranderen. Daarom had hij van de één op andere dag besloten zeven jaar vriendschap te beëindigen. Met een appje.

 

Ik dacht na over de woorden die waren gezegd, geschreeuwd, door te telefoon, zoals: ‘Niemand heeft er iets over gezegd, dit zat eraan eraan te komen.’, ‘Waar hadden we het nou de afgelopen tijd nog over?’, ‘Je moet de wereld niet willen redden.’. Die zinnen galmden door in mijn hoofd.
Misschien was ik wel zo iemand, iemand die alle ballen in de lucht wilde houden, iemand die wilde zorgen dat mijn mensen bij elkaar bleven en iedereen gelukkig wilde zien. Dat zou kunnen. Ik begon, zo zittend op mijn bed, haast te denken dat ik misschien wel idyllisch ingesteld was en dat ik de wereld misschien wel door een roze bril zag. Ik veegde een traan weg en daarmee ook die gedachte, want als je me enkel een beetje kende, zoals ik verwachtte van mensen die dicht bij me stonden, wist je dondersgoed dat, dat zeker niet het geval was.

Zoals het merendeel van de mensen kostte het me meer dan verdomde veel moeite om te zeggen dat iets me pijn deed of dat ik iets moeilijk vond, als het gerelateerd was aan mijn eigen kwetsbaarheid. En toch, zelfs ik, met al die shit die ik achter de rug had, had geleerd om door een diep dal heen te gaan en het soms wel te benoemen.

Afgelopen jaren was ik er achtergekomen dat je iemand niets kwalijk kon nemen als je iets niet had uitgesproken, want hoe kon iemand dan weten dat er ergens een probleem was, dat iets je pijn deed? Door je te kennen en dat aan te voelen? Ja, dat was een mogelijkheid, maar onrealistisch ten top, want hoe kon je het op die manier afdwingen? Niet. Helemaal niet als je een binnenvetter pur sang was, en je liever je issues pas op tafel legde, als je jezelf eerst de vernieling in had geholpen, de welbekende rock bottom had geraakt en jezelf alweer had vermand voor iemand überhaupt een arm kon uitsteken om je te helpen, die je dan toch had weggeslagen omdat jij met je ego het echt wel zelf aankon. Denk dat je dat ik uit ervaring spreek?

Dus dat deed ik niet meer, ik probeerde dat niet meer te doen. Ik zei het, met mijn vuisten gebald waardoor mijn nagels in mijn handen boorden en met dichtgeknepen ogen om mijn moed bij elkaar te verzamelen en mijn ego ietwat te laten varen, zoals toen op het terras tegen de vrouw die ik zo’n 2,5 maand zag, zoende en voelden, terwijl we oesters aan het eten waren en Viognier dronken in de avondzon bij een klein café in Amsterdam. Ik zei dat ik het moeilijk vond dat haar ex vaak voorbij kwam, ik zei dat ik de angst had om gekwetst te worden, want ik kan – en ga, en wil – niet opboksen tegen herinneringen tussen hen. Waarop zij vertelde dat over enkele weken de zonnige stad aan de andere kant van de wereld zou bezoeken, toevallig de stad waar haar ex op dat moment was. Daarop zei ik nogmaals dat ik het moeilijk vond. Wat viel er anders te zeggen. 

En als zoiets was gelukt, kon ik buitensporig blij zijn, want nee, dit paste niet in mijn straatje. Toegeven dat ik iets moeilijk vond, dat ik ergens een probleem mee had, dat iets me kon raken, mijn eigen ego aan de kant schuiven. Ik vond het afschuwelijk, maar ik ging die strijd met mijn eigen gevoel aan, omdat ik niet alleen mezelf een kans wilde geven, maar ook de ander, zodat diegene iets aan mijn gedachten kon doen veranderen. Deed ik dat al mijn lang en zo nu en dan gelukkige leven? Nee, natuurlijk niet, maar het afgelopen jaar had ik mijn beste beentje voor gezet.

Maar hij, die beste vriend die ik al 7 jaar aan mijn zij had, had nooit benoemd dat hij het klote vond dat er niet over bepaalde onderwerpen was gesproken, dat we allemaal wisten dat er iets aan de hand was, maar niemand dat zei, dat hij de liefde van zijn leven had ontmoet, maar het gevoel had dat we hem dat niet gunde. Hij had zijn conclusies getrokken, voor het probleem was besproken. Aan de andere kant had ik mijn onzekerheid uitgesproken, maar daar werd geen antwoord op gegeven, wat zo simpel had kunnen zijn als een appje. Tegenwoordig scheen het namelijk dat je daar ook vriendschappen mee kon beëindigen. Dat is zo simpel als het was. Beide gevallen waren hypocriet, als je het mij vraagt. Ik ging een sigaret roken en hoopte dat de zwelling van mijn ogen langzaam zou verdwijnen.

De ochtend erop belde een vriendin, ze had me net gezien toen we even hadden geluncht. We hadden elkaar nog geen uur geleden gezien, ze belde op om te vertellen dat ik even wat komkommer op mijn ogen moest leggen, want dat zou de zwelling verhelpen. Alleen daar belde ze me even voor op.

Later die dag dronk ik een glas wijn, eigenlijk het vierde. Ik las een berichtje wat ik na drie dagen radiostilte had ontvangen en toen ik het nog eens herlas, viel mijn blik op een simpel woordje: nog. Nog als in: ‘We gaan elkaar nog wel zien’, ‘Dat komt nog wel goed’, ‘Gaan we morgen nog lunchen?’.
In beide gesprekken was dat woord gevallen, maar wanneer gebruikt men zo’n woord? In een vraag is het bedoeld als bevestiging: ‘Gaan we nog lunchen?’. Waarop ik denk: Ja, natuurlijk gaan we lunchen. We hebben toch een reservering staan, dus waarom zouden we dat niet gaan doen? Of is er een reden dat we dat niet zouden doen?
In een zin is het bedoeld als een open eind. Het kan wel, hoeft niet. ‘We gaan elkaar nog wel zien’ Maar misschien ook niet.
‘Nog’ is in beide gevallen een twijfelachtig woord. Maar niet als in ‘Wil je nog wijn?’. Als mijn vrienden de laatste zin tegen me zouden zeggen, zou ik eigenlijk niet weten waarom we in de eerste plaats met elkaar omgaan.

Om aan dit ellenlange verhaal een einde te breien, wil ik afsluiten met het belang van communicatie te benadrukken. Van gevoelens uitspreken en zo nu en dan je poedelnaakte waarheid en kwetsbaarheid op tafel werpen, als een glas rode wijn wat je per ongeluk omstoot en de witte blouse van je gesprekspartner doordrenkt. Aan degene is het dan de keuze hoe te reageren: Schrijf je een ode aan de rode wijn, zeg je dat er witte wijn op geschonken moet om het rood te doen verhelpen, ontken je het en doe je alsof je gek bent en niet door hebt dat je blouse vol rode wijn zit of ga je schreeuwen omdat je woest bent dat er per ongeluk rode wijn over je peperdure Versace blouse van je overgrootmoeder uit 1888 is geworpen, want dat had je echt wel moeten weten.

En hey, wil je geen moeite doen, wil je geen gesprek aangaan en wil je liever niet tegenover me zitten als ik per ongeluk een glas wijn over de tafel werp? Dan refereer ik graag naar de eerste aflevering van het vierde seizoen van Friends, de 21e minuut en 25e seconde.

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *