Fietsen: “Amsterdam is ook een beetje geluk.”

by

Fietsen door Amsterdam is ook een beetje geluk. Als de zon opkomt, en de grachten een spiegel vormen voor de herenhuizen van de prins of de keizer. Of in het Vondelpark, tijdens de laatste uren van een warme zomerdag – zo eentje die een walm van barbecue- en wietlucht achterlaat in de bomen en in het gras. Of onder de poorten van het Rijksmuseum, precies op dat moment van de avond als het licht nog net door de poorten heen schijnt.

Ik blijf het waarderen. Misschien wel omdat ik ben opgegroeid in een polder. In een huis waarachter niets anders was dan weilanden met koeien en laaghangende wilgen langs het pad. Als ik op avontuur wilde, fietste ik een lange tocht over een dijk naar de grote stad. Langs grasvelden, door Amsterdam-Noord, eindigend bij het IJ. Of beginnend, misschien. Hangt er maar net vanaf waar je vandaan komt.

Ik heb het stuk veel gefietst. Tenminste, tot ik zestien was mijn brommer-rijbewijs op zak had. Maar tot het zover was, heb ik vooral getrapt. Weer of geen weer. Mijn fijnste herinneringen daaraan zijn de fietstochten met mijn moeder. Toen ik nog niet oud genoeg was om het stuk in mijn eentje af te leggen. Of als we met z’n tweeën in Mokum op avontuur gingen. Zij aan mijn linkerkant, en ik aan haar rechter. Zodat de auto’s niet langs mij, maar langs haar reden. Waaide het hard, dan legde mijn moeder haar rechterhand in mijn nek. Om me met haar kracht vooruit te duwen. Haar vingers koud, de aanraking toch warm. Ik ging dan extra hard fietsen. Voor en ook wel door haar.

Niet zo lang geleden was ik onderweg, ik weet niet meer waar naartoe. Het was in Oost en de wind was tegen. Ik trok mijn kraag nog iets strakker rond mijn nek, en spande mijn bovenbenen aan. Het gevecht met de Oostenwind nooit gestreden. De tranen liepen langs mijn wangen naar beneden, toen ik zag dat ik werd ingehaald. Een jongen van een jaartje of acht fietste me van links voorbij, zijn vader naast hem. De jongen aan de buiten-, en zijn vader aan de binnenkant van de weg. Hun tempo lag hoog, dus de vader zwaaide zijn hand omhoog en legde het in de nek van zijn zoon. Een extra duw, en ze vlogen me voorbij.

Er is iemand die misschien nog wel meer van fietsen door Amsterdam houdt dan ik. Een van de eerste keren dat ik naast hem de kracht in mijn trappers duwde, hoorde ik hem de stad hardop bewonderen. Ik keek op en zag een glinstering in zijn ogen die naar de torens, huizen, bruggen en grachten keken. Alles wat het maakt dat het is. Samen onderweg. Nee, we fietsten niet te hard. Oké, misschien een beetje. En toen voelde ik een hand op mijn schouder, die zich naar mijn nek bewoog. Voorzichtig duwde hij me vooruit. En voordat ik het wist, zweefde ik.

 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *