En wanneer is mijn beurt dan: “Is dit nu de beste versie van mij?”

by

Mijn keukenvloer is betegeld met witte, glanzende tegels. Dit soort tegels zou ik zelf niet eens in de badkamer leggen, maar dat iemand ooit verzonnen heeft dat ze de overige tegels wel in de keuken kwijt zouden kunnen vind ik echt onbegrijpelijk. Je ziet werkelijk alles op deze vloer, een pluisje stof, een minuscuul vlekje tomatensaus, een broodkruimel, het trekt onontkoombaar de aandacht. Normaal gesproken ben ik te druk bezig met werken, praten of wijn drinken om me hier echt aan te storen, maar de afgelopen weken is het een obsessie geworden. Ik schafte een nieuwe dweil aan, een schrobber, heb zelfs met m’n nagels lopen krabben, maar deze vloer glanst hoogstens een halve minuut. Daarna daalt er, in een oogwenk, weer een soort smoezelige laag op neer.

Vorige week las ik een column van Rutger Bregman – mocht je hem niet kennen, goede schrijver – waarin hij wetenschappelijk onderbouwd (daarom is het zo’n held) beschrijft hoe rampen en crises het beste in mensen naar boven halen. Bregman schrijft dat plunderaars en aso’s, de mensen die zo ontzettend veel aandacht in de media krijgen, de uitzondering op de regel zijn in deze pandemie en dat de meeste mensen solidairder zijn dan ooit zijn. Gedurende langere tijd kijk ik mezelf aan in de spiegel. ‘Is dít nu de beste versie van mij? Dat is treurig.’

Ik vind het absoluut prachtig om te zien dat deze pandemie mensen aanzet tot altruïstische acties, hoor. Ik ben geraakt door de hoeveelheid anti-eenzame-ouderen-telefoondiensten die opgesteld worden, de Delftse studenten die dag in dag uit extra beademingsapparatuur bouwen, de buren die hun auto’s aan zorgmedewerkers aanbieden, de online bijles, de muziek die door de straten verspreid wordt en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Mijn netwerk kent mij als linkse ondernemer, dus het was een kwestie van tijd tot ik menig bericht binnenkreeg als: ‘goh, kun jij niet muziek maken om eenzame mensen een beetje op te vrolijken?’, of ‘kun jij niet iets van een online-therapiedienst opzetten?’ en ‘ja voor jou als kunstenaar en therapeut liggen de klussen nu vast voor het oprapen?’. Kortom, ik werd overladen door een golf aan mooie altruïstische mogelijkheden. Ondertussen zat ik met een mes een aangekoekt vlekje van de grond te krabben. Ik voel de ogen van enthousiaste kennissen en familieleden in mijn rug priemen (figuurlijk dan, want iedereen zit thuis), die opgewonden mijn leuke initiatieven afwachten. Zoals jullie echter in mijn vorige columns gelezen hebben, zo niet, dan herhaal ik het nu nog wel even; ik heb enorme last van een winterdip. Het valt me dan ook vrij zwaar, dat ik, net wanneer de dagen langer worden, de zon mijn huid weer kan strelen en mijn opgedroogde eierstokken weer beginnen te klapperen, geacht wordt binnen te zitten.

Tot mijn eigen schrik roept het hele crisisgebeuren het meest egocentrische stukje van mijn persoonlijkheid op. Vorige week bijvoorbeeld, ging ik voor het eerst in eeuwen weer met de trein. Ik had de longen uit mijn lijf gefietst om nog nét op tijd te zijn om de trein te halen, sta ik bij dat poortje, is mijn ov-kaart verlopen. Waar ik zo’n domper normaal gesproken wel verdragen kan, had ik nu zo ontzettend veel zin om over dat poortje te springen. En op de grond te tuffen. En als ik dan toch bezig ben ook gelijk twee vreemden te zoenen of zo.

Normaal gesproken bestaat het grootste deel van mijn leven uit zorgen voor het welzijn van anderen. Het verbaast me dus, dat ik juist nu, totaal geen zin heb om mezelf op wat voor manier dan ook in te perken voor de gezondheid van anderen. Tijdens mijn dagelijkse wandeling adem ik de frisse lucht diep in. Er vliegt een klein walmpje zweet van een jongen die me hardlopend passeert mijn neus in. Normaal gesproken vind ik dat goor en houd ik m’n adem in, maar nu snuif ik zijn testosteronzweet helemaal op. Hij kijkt om en glimlacht even, ik voel een wolkje vlinders vanuit onderin mijn buik omhoog fladderen. Ik wil hem aanspreken, maar houd me in. Wat zou ik eraan hebben, vraag ik me af. Toch horen vlinders niet in een kooi. Ik wil ze juist nu in de lentelucht loslaten, uit laten zwermen en me ergens in verliezen. Het enige waar ik me de laatste tijd in weet te verliezen zijn herinneringen. Ik wist dat m’n verleden me op een dag in moest halen. Ik wist dat ik de foto’s die ik achterin m’n bureaula verstopt had op een dag zou willen bekijken. Maar ik wil niet blijven steken, ik wil vooruit, de verte in. Maar de verte bestaat vandaag niet meer. Ik loop de trap af. Gelukkig heb ik die smerige keukenvloer, anders had ik écht vreselijk omhoog gezeten.

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *