‘Een stille schreeuw’

by

Zondag 2/9/2018

‘Ik wil struinen door stegen met het klotsen van de Seine als achtergrondmuziek. Een kopje koffie bij Café de Flore. Praten over alles wat je nooit uitgesproken hebt, om er dan om te giechelen als het kleine meisje dat ik eigenlijk nog ben. Ik wil stiekem over je schouder kijken als je over me schrijft, als je over me schrijven zou. Ik wil kijken naar hoe je peinst met die eeuwige sigaret geconcentreerd bungelend in je mondhoek. Mondhoeken die soms ineens omkrullen. Wanneer ik dan vragen wil waarom je lacht, blijf ik stil. Soms zijn je gedachtes niet bedoeld voor mij en soms moet ik niet alles ik willen weten. Ik kijk naar hoe je je haar uit je gezicht veegt en hoe de krullen meteen daarna weer voor je ogen dansen.

Ik wil zweven en een beetje van de wereld zijn. Dronken worden, misschien moet ik dronken worden. Ik schenk je glas bij en hoop dat je even op zult kijken. Je lacht. Ik wil dat je je t’aime in mijn oor fluistert, terwijl je met je ranke vingers door mijn haren gaat, maar je spreekt geen Frans. Ik wil zeggen dat ik van de wereld wil zijn, dat ik niet met beide benen op de grond wil staan. Ik wil naar Parijs en dat het daar dan net zo is als in mijn gedachten. Zoals het daar is, de enige plek die ik perfect voor ogen heb. Ik wil het voorstellen, jij blijft peinzen.

Zachtjes kruip ik nog dichter naar je toe. Ik laat de deken van me afglijden en hoop dat je naar het kanten randje kijkt dat tevoorschijn komt. Nu even niet, hoor ik je denken. Je verzinkt terug in gedachten. Zal ik dan stil zijn? Ik probeer het uit. Ik laat de stilte me omhullen als een warme deken, maar al snel verveelt ze me.’

Een jaar geleden waren we in Parijs, zie ik als Facebook me daar pontificaal aan herinnert. Alsof ik dat niet wist. Ik denk terug aan losse flarden uit mijn dagboek. Ik denk aan hoe gelukkig ik word van Parijs, ik wil bijna weer zeggen dat je me nog nooit gelukkiger hebt gezien dan daar. Al weet ik niet of dat waar is. Ik hou van Parijs, ondanks het feit dat je er bijna niet kunt ademen, dat ik gerold werd en dat een cappuccino minstens zes euro kost. Toen ik tien was, wist ik al dat ik er later ging wonen. De hele stad had ik nog niet eens zelf gezien. Ik was verliefd op plaatjes, films en boeken. Later wilde ik er uitzien als Brigitte Bardot of Francoise Hardy en nu – later – wil ik dat nog steeds. En nu wil ik ook, voor altijd met jou. Wel of niet in Parijs. 

Vanochtend verhief je voor het eerst zonder reden je stem. Ik sloeg meteen in paniek, vannacht nog vroeg ik me af wat je toch altijd in me ziet, als er niks in me te zien valt. Ik schrok zo dat ik niet te bedaren was. Je merkte het op, nog voordat de eerste traan op ons dekbed viel. Ik wil niet dat wij zo zijn. Naar iedereen schreeuw ik totdat mijn punt duidelijk is, naar jou wil ik zacht zijn. Zoals jij en nu gedraag jij je zoals ik. ‘Het komt allemaal door mij’ begint mijn dramatische gedachtegang. Een eindeloze stroom aan dingen die ik verkeerd heb gedaan, waardoor jij nu ineens je stem verheft. Je ochtendhumeur was ik spontaan vergeten, ochtenden zijn ook geen tijden voor wereldzaken. Ochtenden zijn zeker geen tijden voor jou. Verdronken in een zee van dekens in ons veel te grote bed boden we allebei duizendmaal ons excuses aan. Jij was net zo geschrokken als ik. Je slaat je armen nog iets meer om me heen, je wilt me beschermen. Voor mezelf misschien. Vandaag is geen dag om op te staan, denk ik. Blijf hier liggen, zo dicht bij me. (Neem me mee naar Parijs).

No tags 0 Comments 1

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *