‘Een moderne Shakespeare’

by


Met een half oog en een loeizwaar hoofd las ik de berichten van mijn vriendin. Er kon nauwelijks een lachje af. Niet omdat ik het niet grappig vond – ik zou hier later vandaag nog om schaterlachen – maar omdat ik de afgelopen nacht mijn hele hebben en houden had gegeven en ik moest nu op de blaren zitten. Op zijn minst opmerkelijk te noemen dat de avond begon met de Boekenclub en dat ondoordachte boek van Esther Verhoef. Anderzijds, ook begrijpelijk dat ik me na de bespreking van deze roman de afgrond in wilde zuipen. Een verhaal met minder diepgang dan de gemiddelde Dora the Explorer aflevering lokte het uit om vervolgens zelf de diepte in te duiken en oh god, dat had ik gedaan.

Ik wierp de rommelige dekens van me af en opende beide ogen om mijn zonde recht in de afkeurende ogen aan te kijken. Het bed waar ik in lag was tegen de binnenwand tegenover het raam geplaatst waardoor ik de kamer door kon kijken. Het was redelijk groot en volgebouwd met meubels. Een ouderwetse houten kast met daarnaast een bureautafel, een bruin leren bank, grote televisie ertegenover. Jup, dit was niet mijn huis.

Mijn rechter sok zat aan mijn voet. Mijn andere stinkende kledingstukken had ik bijeen gezameld, op mijn linker sok na. Er raakte wel vaker dingen kwijt in grotten der vergetelheid; slipjes, pinpassen, blonde vrouwen, dus ik nam het feit dat het enkel mijn panterprint sok was maar voor lief.
Terwijl ik me in mijn strakke leren broek probeerde te wurmen, concludeerde ik weinig van de nacht te herinneren, enkel dat ik op een onbewaakt moment met een groep onbekenden mee op pad ben gegaan en toen schijnbaar mijn blonde vriendin ben verloren. Die zichzelf daarop weer was verloren en het was verdomme een woensdagnacht geweest.

Toen ik naar de keuken liep om mezelf te voorzien van een fikse teug kraanwater herinnerde ik me hier binnen te zijn komen wandelen rond een uurtje of 07.00 met de man in wiens bed ik had geslapen. Er stond op dat moment namelijk al een huisgenoot in de keuken, fris en wel, klaar om naar werk te vertrekken. Ik had er iets van een begroeting uit gestameld voor ik zijn bed in was gedoken om mijn kleding van mijn lijf te rukken. Hoe beschamend het ook was, van de seks wist ik amper noch niks, maar ik had nog wel een vrij specifieke herinnering: zijn penis-je. Ik moest lachen om mijn eigen gedachte en vroeg me toen ineens af wat ik eigenlijk alleen in dit huis deed. Waar was die vent? En waar in Amsterdam staat dit huis? Waar ben ik in godsnaam?
De enige manier om daar achter te komen was om uit dit huis te glippen en hopelijk mijn blauwe fiets te vinden in het nog onbekende straatbeeld. Wist ik veel wat me op dat moment nog te wachten stond.

Ik trok mijn zwarte jas aan, pakte mijn eveneens zwarte tas en schoof met enkel één sok aan, in mijn, surprise, roze velvet hakken. Onderhand verlangde ik naar het moment dat ik mijn blauwe fiets zag staan en erop kon springen om te beginnen aan de welbekende fietstocht of shame met mijn mascara van gisteren op mijn wangen. Maar dit verhaal was het schrijven niet waard geweest als het zo gelopen was als ik had gehoopt.
Verloren keek ik naar de deur die mij de verlossing had moeten bieden die beloofd was.
‘Je kan blijven liggen. Ik moet werken.’ fluisterde de man, voordat hij me een kus op mijn met mascara besmeerde wang had gegeven. Ah, wat heerlijk, had ik op dat moment gedacht. Niet wetend dat ik enkele uren later opgesloten zat in dit huis, waarvan ik godvergeten niet eens wist waar het stond! Na zes keer aan de deur trekken had ik voldoende bevestiging. Die deur ging niet open, er was niemand thuis en ik had geen sleutel. Het scheelde dat ik in principe geen volwassen verplichtingen had gepland, dus ik pakte mijn telefoon om hem een berichtje te sturen zodat hij me, net zoals in Disney films, zou komen bevrijden. Was er in ieder geval nog één romantische wending in dit verhaaltje, er even van uitgaande dat ik de beste man zijn naam nog wist.

Het kwam goed uit dat ik een kleine rivier uit mijn blaas moest piesen, want uit ervaring wist ik dat ik op de wc vaak het beste kon nadenken. Godverdomme, al is het maar één letter.             Mijn stem galmde hardop door het huis heen: ‘WOMAN, DENK NA! HOE HEET DE MAN OP WIENS WC JE AAN HET PISSEN BENT!?’

Na mijn poes afgeveegd te hebben, was ik op het bed in de over gemeubileerde kamer gaan zitten en staarde uitzichtloos voor me uit. Er was nog steeds geen letter, laat staan een naam en er was zeker geen sleutel. Tot plots de rebelse Rapunzel in me naar boven kwam. Er was heel veel niet, waaronder mijn linker sok, maar er was wel degelijk een raam dat uitkwam op een rommelige patio. De hemelpoort had er zelden zo onaantrekkelijk uitgezien. Had ik overigens al benoemd dat het bakken uit de lucht kwam denderen?

Het kostte me welgeteld vijftien hele minuten en vrijwel al mijn spierkracht om dat kolere schuifraam omhoog te krijgen, voordat ik mezelf eindelijk zeiknat kon laten regenen. Het trappenhuis vloog ik door en toen ik eenmaal de voordeur achter me had gesloten en mijn prachtige fiets in het vizier had, nam ik nog even de tijd om mezelf in een volle winkelstraat een high five te geven.
Ik stond midden op het Spui op een donderdagmiddag, nadat ik een one-night-stand had gehad waarvan ik me ongeveer niets meer kon herinneren en mezelf had bevrijd door uit een raam te klimmen, omdat ik opgesloten zat in een huis van een man waarvan ik de naam niet meer wist. Een moderne Shakespeare had het kunnen schrijven, maar ik maakte het mee.

 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *