Deze is voor alle liefdes van mijn leven die ik aan me voorbij heb laten gaan: “Ik wil wegkijken, maar het lukt niet”

by

Javastraat, dinsdagmiddag 14:00 uur. Met de lekkerste falafelwrap van de stad in mijn hand, en een zelfverzekerde tred – eerlijk, het is gewoon een swag – loop ik door de Javastraat in Amsterdam. Mijn koptelefoon pompt D’Angelo via mijn oren mijn brein binnen, en ik voel me voor het eerst in weken sexy. Ik loop langs een kapperszaakje dat weer open is en word bijna emotioneel bij het zien van de natte haren die door de vingers van de kapper glijden: hij is het nog niet verleerd.

De etalageruiten weerspiegelen een winkelstraat in volle bedrijvigheid. Sinaasappels worden zorgvuldig uitgekozen, stofwolken komen uit een nieuwe winkel, bouwvakkers staan te roken in de deuropening. Kinderen rennen zigzaggend langs de benen van oude mannen die met de armen op de rug voorbij stiefelen. Ze kopen niks, zij wandelen hier louter om onder de mensen te zijn. De meeste voetgangers proberen langs elkaar te lopen met anderhalve meter ertussen. De straat is zo smal, dat ik bij elke voorbijganger de wielen van geparkeerde fietsen in word gesocialdistancet.

Ik zie hem niet aankomen maar ineens is hij daar. Als wij elkaar passeren, kijk ik hem aan. En hij mij. Ik wil wegkijken maar het lukt niet. Mijn ogen zijn zuignappen en de zijne een gladde badkamermuur. We lopen door, maar onze blikken blijven plakken. Ik draai mijn nek mee met mijn ogen, maar kijk dan snel weer vooruit, de betovering verbrekend. Ik blijf lopen en voel dat hij nog kijkt. Als ik denk dat de kust veilig is, kijk ik om. Ik zie hoe hij zich weer omdraait en verder loopt.

Midden op de Javastraat blijf ik staan en kijk hem na. Zijn lichtblauwe hoodie over zijn hoofd getrokken, druk pratend in de telefoon die hij tegen zijn rechteroor houdt. Ik zie hoe hij met snelle passen oversteekt en even denk ik dat hij in een geparkeerd busje gaat stappen. Hij loopt door, verder weg van mij. Ik wil naar hem toe rennen, hem inhalen en zeggen: “hey, wie ben jij?” Maar ik sta hier, en de lichtblauwe hoodie verdwijnt met elke seconde verder uit mijn zicht. Mijn voeten besluiten verder te lopen, en ik probeer mijzelf ervan te overtuigen dat hij niet leuk is. Niet mijn type. Hij heeft vast al een vriendin.

Maar na een paar stappen draai ik me resoluut om. Ik weet ook wel dat ik eigenlijk gewoon bang ben om deze onbekende man aan te spreken. En tegelijkertijd wil ik niets liever. Ik snelwandel – dit keer zonder swag – in de richting van de hoodie. Onderweg stop ik gedachtes weg die me proberen wijs te maken dat ik geen idee heb wat ik ga zeggen als ik straks voor hem sta. Met zijn haast indringende, en bijna boze blik nog brandend op mijn netvlies, scan ik de straat. Als een politievrouw op zoek naar haar verdachte kijk ik links en daarna rechts bij een kruispunt. Ik verzin dat hij waarschijnlijk rechtdoor is gelopen.

Aan het einde van die straat moet ik aan mezelf toegeven dat ik hem ben kwijtgeraakt. Weg. Het lot bracht ons samen voor drie seconden en dat bleek het moment te zijn geweest waarop ik had moeten handelen. Het is de zoveelste voorbijganger die ik verloren heb aan de tijd die maar door blijft tikken terwijl ik mijn verlamming probeer te overwinnen. De zoveelste ontmoeting die ik misloop omdat ik te schijterig ben.

Er is een speciaal plekje in mijn hart voor alle mannen met wie ik een spontaan moment op straat deelde, en daarna nooit meer zag. De bebaarde Australiër, die ik twee keer tegenkwam in Melbourne maar voor wie ik een badpakkenwinkel in vluchtte toen hij zich omdraaide. De jongen met het blauwe haar die, toen hij de trein uitstapte waar ik net in wilde gaan, een blijheid in mij opriep die me overrompelde. Vanachter mijn veilige raampje grijnsde ik naar hem. Zijn ogen twinkelden terug. De man met wie ik opzichtelijk flirtte in een koffiezaakje terwijl ik een zakelijk gesprek had, maar toen hij opstond en wegliep ik net deed alsof ik het niet merkte.

Ik sla ze op in het vakje in mijn hoofd genaamd ’de liefde van m’n levens die ik ben misgelopen omdat ik te schijterig ben’ (de titel is lang maar het is dan ook een vrij groot vakje), in de hoop dat er ooit een glorieuze dag komt dat ik iemand voorbij loop, omkijk en dan gewoon zeg: “hoi, wat ben jij leuk”.

 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *