De zeemeermin in de witte zee: “Ze klemt zich om mijn benen, ik streel haar met mijn vingers”

by

In de zomer dobber ik vaak dagen in haar. Ik ben niet de enige, er liggen allemaal mensen om mij heen. Ze klemt zich om mijn benen, ik streel haar met mijn vingers. Als ze kalm is en er valt niet veel te beleven, geniet ik van de zon en van haar. Ik geniet altijd van haar, maar het meest als ze danst, dan volg ik haar bewegingen, ga ik iets dieper in haar en als de volgende golf komt, draai ik me om, spring ik op mijn bord en dans ik met haar mee tot de kust. Als het lukt. Soms mis ik een danspas, soms is zij net te ruw en neemt ze me mee terwijl ik nog niet klaar was. 

Als je terechtkomt in een golf is tegenstribbelen zinloos. Ze is begonnen zonder jou, inhalen kan niet meer. Ze doet het ook niet expres, het is haar passie, haar temperament. Het is de reden waarom velen zoveel van haar houden, maar haar nooit kunnen begrijpen.

In de ochtend kan ze anders dansen dan in de namiddag. Soms streelt ze je tenen, soms gooit ze je benen over je heen. Zij verandert op al haar plekken elke dag, ik kan het weten. Ik heb namelijk ook een plek. Zij heet de witte zee. 

In de witte zee is het altijd kalm. Bij haar vind ik mijn rust. Soms lig ik daar in mijn eentje, in ieder geval niet met zoveel als in de andere zee. Als ik de witte zee in de ochtend verlaat om het water in te gaan, duik ik gedurende de dag soms nog even in haar. Als ik net klaar ben met mijn lunch hoor ik voetstappen achter me en word ik zonder pardoes in de witte zee gegooid. We moeten dan lachen en vlak daarna legt ze haar deken van kalmte stilletjes over ons heen.

In de nacht kan het niet los, van zingende zeemeerminnen tot eeuwig liefde en geluk. We proosten en lachen met elkaar, vrienden van over de heel de wereld komen ineens aanwaaien. Alles waar ik maar van kan dromen, het kan niet op.

Soms slipt er iets duisters doorheen, moet ik plots rennen voor mijn leven. Dan klemt de witte zee zich om me heen, ik schrik wakker en kijk in het duister, waarna haar greep verandert en met haar deken van kalmte neemt ze me weer mee. 

Het licht wat scheen op de witte zee haalde me uit mijn slaap. Ik opende mijn ogen. Er was niemand in de kamer, ik was alleen. De deken trok ik van mijn linkerbeen af. Ik strekte deze en bracht hem omhoog, wiebelde even met mijn tenen. Ik reikte naar het witte gordijn waar het licht doorheen scheen zodat ik deze met de puntjes van mijn tenen kon openen. De wereld leefde, de groene boom danste door de wind met een helderblauwe achtergrond. Ik dobberde op mijn rug, streelde de dekens, kussen en het laken. Het briesje wind wat ongezien langs de gordijnen kwam blies zachtjes over mijn been heen. Het voelde ietwat fris, het voelde alsof ik net de zee uitkwam met natte haren en druppels langs mijn lichaam.

Met mijn benen onder de deken en mijn bovenlijf ontbloot in het streepje zon dat door de gordijnen heen naar binnenkwam, voelde ik me net een zeemeermin. En zonder het te weten, werd de deur geopend en klonk haar stem: “Wat ligt daar een mooie zeemeermin, daar in die witte zee.”

 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *