‘Beer op de weg’

by

‘Laten we dan het bos ingaan!’ stelde ik op een druilerige zondag voor aan mijn 5-jarige zoon die met een verveelde blik ondersteboven op de bank hing. Sem keek me aan en rolde zichzelf langzaam op zijn buik. Zonder het oogcontact te verbreken hief hij zijn linkerhand op, bracht zijn wijsvinger naar zijn neus en stak deze er zonder enige gêne in. Een reactie op mijn voorstel bleef uit.‘Nou?’ vroeg ik en deed een poging mij niet te laten afleiden door zijn schaamteloze gepeuter.
Voor iemand die volgens zijn juffies nog een slecht ontwikkelde potloodgreep had, vond ik hem dit hele gebeuren met een zeer verfijnde motoriek uitvoeren. ‘Nehh…’ Sem rolde weer op zijn rug. ‘Het bos is saai.’
Fuck. Ik wist dat als ik echt de deur uit wilde, ik nu snel moest handelen. ‘Al goed,’ zuchtte ik dramatisch, ‘dan zal ik maar in mijn eentje die schat moeten gaan zoeken.’
Sem sprong meteen op. I knew it. Het woord ‘schat’ had op 5-jarige kereltjes precies hetzelfde effect als het woord ‘seks’ op volwassen kerels: succes gegarandeerd.
Nog geen 10 minuten later hadden Sem en ik samen een schatkaart getekend. Het pad begon bij ons eigen huisje, liep vervolgens langs de speeltuin en zou uiteindelijk ergens diep in het bos eindigen. Samen keken we naar de kaart die voor ons lag. Echt spannend zag het er niet uit. Momenteel had het vooral veel weg van een plattegrond van de gemiddelde ANWB fietsroute. Er miste nog iets.
‘Nu moeten we alleen nog bedenken welke gevaren we onderweg gaan tegenkomen, Sem’. Bij verschillende punten op de kaart bedachten we de spannendste dingen. Er zou ergens een beer in de bosjes zitten, er zou drijfzand zijn, een rivier vol piranha’s, enzovoort.
Ik wilde al opstaan om onze laarzen te pakken, toen ik de onzekere blik van het ventje naast me opving. ‘Nog niet tevreden?’ vroeg ik. ‘Jawel…’ antwoordde hij, ‘maar ik weet niet zeker of ik dit wel durf. Die beer en zo. Ik wil niet meer, denk ik.’.
Verbouwereerd bleef ik staan. Nog geen vijf minuten hiervoor hadden we de gevaren nota bene zelf zitten bedenken. Nu waren deze al dusdanig werkelijkheid geworden dat hij niet meer durfde. Ik deed nog even kort een poging hem uit te leggen dat hij de gevaren zelf bedacht had en ze dus ook zelf weer zou kunnen wegdenken, maar tevergeefs.
En dus besloot ik een rugzak voor hem in te pakken. In die rugzak stopte ik allerlei spullen die ik vond in huis en die hij zou kunnen gebruiken ter bescherming. Het schat zoeken werd een groot succes.

De schatkaart

De sterretjes die moesten worden afgestoken om de giftige vliegjes weg te jagen

De honing die gebruikt werd om de beer de verkeerde kant op te leiden

De opblaaskikker om de rivier vol piranha’s over te steken

Het snorkelpak om te overleven in het drijfzand

De gevonden schat!

Trots en tevreden liepen we hand in hand naar huis. Hij over het feit dat hij zojuist een schat had gevonden, ik over het feit dat ik erin geslaagd was om met vrij weinig middelen een bos, dat eerst nog saai leek, te transformeren tot een uiterst avontuurlijke plek.
Ik grinnikte. The mind of a child works in mysterious ways, dacht ik nog.

Little did I know…
Want wat ik niet wist is dat ik een paar maanden later weer de rugzak van iemand anders zou moeten vullen met hulpmiddelen. Maar dit keer van een volwassene. Mijn favoriete volwassene.

In een blinde paniek keek ik rond in haar kamer. Om überhaupt nog iets te kunnen zien bleef ik met de achterkant van mijn hand mijn tranen wegvegen. Een onbegonnen werk. Vloekend liet ik mij in het midden van haar kamer zakken. Haar fijne kamertje. De plek waar we ontelbare keren gelachen, gedanst, gedronken, gehuild en vooral zo ontzettend veel gepraat hadden. Over het leven. Over angst. Over geluk. Over God. Over ons.
Mijn lichaam rilde bij de gedachte aan hoe ze hier de afgelopen dagen moet hebben doorgebracht. Ik haalde een paar keer diep adem, vocht tegen de behoefte om over te geven en probeerde me weer te focussen. Welke spullen pakte je in godsnaam in wanneer iemand in deze situatie zat?
Een halfuur later keek ik haar aan, lege ogen keken terug.
In stilte vervloekte ik mezelf om het feit dat ik dit niet had zien aankomen; in stilte vervloekte ik haar om het feit dat ze zichzelf dit had aangedaan. Hoe durfde ze zo om te gaan met iemand die het zo ontzettend waard was te leven?
Hardop vervloekten we samen de nerveuze verpleger die een poging deed het infuus te prikken. Hij had ons net uitgelegd dit normaal niet te doen, maar door onderbezetting kreeg hij deze taak toch toegewezen. Het duurde lang. Haar afgeknelde arm werd steeds paarser en we maakten grappen over het feit dat als ze dit allemaal al zou overleven die verdomde arm er dan wel af zou moeten.
Wij vonden het leuk; de verpleger iets minder. Hij prikte mis. Zijn tweede poging brak hij onverwachts af. Er viel een stilte. ‘Ik uh… ik kan dit niet, sorry.’ zei hij terwijl hij zijn hand met daarin de naald in zijn schoot liet zakken. ‘Het is te lang geleden. Nogmaals sorry.’ Met een beschaamd hoofd liep hij achter het piepende infuuskarretje aan de kamer uit, op zoek naar een bekwame collega om deze taak aan over te dragen.
Ik kroop naast haar op het bed en grapte dat het hele tafereel me heel erg deed denken aan een man waar ik ooit seks mee poogde te hebben maar die hem niet omhoog kreeg. Ook die had mij met een beschaamde blik aangekeken en dezelfde woorden gestameld: ‘Sorry ik uh… het is te lang geleden.’.
Tot grote verbazing van de mensen in de bedden naast ons schoten we samen hard in de lach, zoals ik dat met niemand op deze aarde zo goed kon. Het lukte niet om te stoppen. Ik wilde ook niet stoppen. Ik denk uit angst dat ze na dit korte moment weer weg zou zijn.
In gedachte verzonken, keek ik naar de tas die ik zojuist naast haar bed had neergezet. Een fucking tandenborstel, knuffelkonijn en telefoonoplader waren in dit geval hulpmiddelen van niets. Een schat beloven kon ik haar evenmin.

Maar het was toen, daar tegen elkaar aan liggend in het ziekenhuisbed, dat ik besefte dat de mind van een volwassene geen fuck verschilt met die van een kind.Want ook zij had net als Sem de gevaren in haar leven zelf bedacht.En ook ik had net als toen bij Sem al zo lang geroepen dat die gevaren er helemaal niet waren, dat ze niet bestonden en dat ze moest stoppen met geloven van wel.
Ik had moeten weten dat dat niets uit zou maken. Zij zag de beer wel. Daar ging het om.
Want terwijl iedereen haar bleef zeggen dat de grond onder ons niet uit drijfzand bestond, was zij steeds dieper aan het zakken..

No tags 1 Comment 2
1 Response
  • Laura Ortega
    May 11, 2018

    Loveeeeeeee

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *