‘100 SONGS EVERY 2000’S KID WILL REMEMBER’: “Aan dat ik op mijn mondeling Frans loog dat ik wiskunde ging studeren”

by

 ‘100 SONGS EVERY 2000’S KID WILL REMEMBER’

Ik denk aan die keer dat de meisjes werden gerangschikt op risicofactor
en aan het buurthuis dat rook naar de zojuist aangezette verwarming

aan die keer dat ik per ongeluk kindeke Jezus van de miniatuur kerststal inslikte
en aan hoe dat jaar zijn kribbetje leeg bleef omdat alle winkels zonder uitzondering
gesloten waren op zon- en feestdagen en aan hoe ik mezelf wijsmaakte dat zolang ik niet
zou kijken of het uit mij was gekomen, ik altijd iets heiligs in me zou hebben

aan wat we te bewijzen hadden en aan het stedelijk gymnasium
waar ik twee jongens met een liniaal achterin het fietsenhok zag verdwijnen

aan hoe ik de hechtingen in mijn lip na het trampoline-incident probeerde los te peuteren
en aan de koosnaampjes die mijn moeder me gaf om me klein te houden

aan de spijkerbroek waarin mijn knieën het dunst leken die ik droeg toen ik Justin ontmoette
en aan Maartje die me vertelde dat het de eerste keer wennen was maar het daarna alleen maar
mee zou vallen en aan hoe goed ik was in mijn ogen dicht houden en aan hoe ik hem vroeg
om niet in mijn haren klaar te komen en aan hoe hij dat toch deed en aan hoe hij niet geloofde
dat ik iets heiligs in me had en aan de laatste keer dat ik hem zag

aan dat ik op mijn mondeling Frans loog dat ik wiskunde ging studeren
omdat dat het enige was waarvan ik wist hoe ik het moest zeggen

aan de manieren waarop grootheidswaanzin en minderwaardigheidscomplex in elkaar pasten
en aan hoe het einde van de zomer het ergste was dat kon gebeuren

*

algeneters

we meten hoe goed we alleen kunnen zijn
door een lijst te maken van alle dingen
die we niet hebben gemist
na een aantal dagen probeer ik voor het eerst
met de donshaartjes van een perzik
een aanraking na te bootsen

ik heb de jongens onthouden
en de algeneters
in de hoeken van hun kamers
waar we het soms zo stil lieten zijn
dat we de morse code hoorden
in de filterpomp

zijn lippen voelen als de nopjes onder antislipsokken
die wel willen dat je blijft hangen maar niet voor altijd
.— . / …. — . ..-. – / — . / -. .. . – / – . / –. . .-.. — …- . -.

we zochten allemaal iemand om ons schoon te zoenen
zoals de zuignapharnasmeerval deed
bij de ruiten van Marcels aquarium

*

Kraters zijn stukken land die je alleen moet laten

Maarten zegt dat je nooit zult weten hoe ver iets weg van je is
totdat je hebt geprobeerd om het aan te raken.

Toen ik acht was klom ik ’s nachts op een telescoopladder
in mijn achtertuin om te proberen de maan te pakken.

Ik hield er alleen een gebroken arm aan over.
De volgende dag op school deed Maarten erg zijn best
om Stephen Hawking na te tekenen op mijn gips.
De figuren in whiteboardmarker leken meer op schuldgevoel
dan alle sorry’s die iemand ooit tegen me gezegd heeft.
We besluiten om de maan in het vervolg alleen nog maar aan te spreken
met ‘grote klotesteen’.

Ik vraag naar zijn mening over zwarte gaten.
Hij zegt: ‘Ja nou ja, die zijn er. Het is wel mooi
hoe af en toe alles opgeslokt moet worden,
alsof het weer even nodig was.’

Een keer per maand spreken we af
om kiezels te gooien naar de grote klotesteen.
Soms landen ze op het dak van de zilveren Suzuki Swift van de buren.

Na een paar weken herstel, kan ik mijn hand weer tot een vuist ballen.
Maarten glijdt met zijn wijsvinger over mijn knokkels
alsof hij wil weten welke maanden lang zijn en welke niet.
De kuiltjes in onze wangen noemen we kraters.
In bed geef ik elk sproetje op zijn rug een planetennaam,
zo waarheidsgetrouw mogelijk, Pluto telt ook nog mee.

Hij zegt dat je nooit zult weten hoe ver iets weg van je is
totdat je een keer hebt geprobeerd om het aan te raken.

No tags 0 Comments 1

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *